Contact| Colofon| Agenda|
JeugdPsychiatrie

Geschiedenis: Ontstaan en vestiging van de kinderpsychiatrie

De opkomst van de kinderpsychiatrie maakte deel uit van de sterk toenemende aandacht voor ‘probleem- en zorgenkinderen’ aan het begin van de twintigste eeuw. Het ontstaan van dit nieuwe subspecialisme moet worden begrepen tegen de achtergrond van meerdere, elkaar deels versterkende, deels doorkruisende bewegingen.

Allereerst deed zich in de tweede helft van de negentiende eeuw in heel West-Europa een golf aan initiatieven voor in de zwakzinnigenzorg, het speciaal onderwijs en de residentiële heropvoeding. In de zorg en onderwijs voor kinderen met een verstandelijke handicap liep Nederland bepaald niet voorop: pas ver na 1900 manifesteerde zich een nieuw elan. Op het gebied van de heropvoeding liep ons land daarentegen aardig in de pas, de invoering van de kinderwetten in 1901 paste dan ook in een internationale trend. Toen in dat kader in de daaropvolgende decennia observatiehuizen werden ingericht om de rechter van deskundige rapportage te voorzien, waren psychiaters als Carp (Leiden), mevrouw Van Andel-Ripke (Rotterdam) en Grewel (Amsterdam) er snel bij om in deze context hun inzichten verder te ontwikkelen en de leiding van het werk op zich te nemen.

Na de Eerste Wereldoorlog ontstond er ook in de academische wereld belangstelling voor psychiatrische hulp specifiek voor kinderen. Zo begon mevrouw Bakker, echtgenote van H.C. Rümke, in 1919 de eerste kinderpsychiatrische polikliniek (binnen de Valeriuskliniek in Amsterdam), en een jaar later opende mevrouw Van Andel-Ripke in het Utrechts Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht een speciaal zaaltje voor kinderpsychiatrie en een kinderpolikliniek.5 In 1931 volgde Grewel met een kinderpsychiatrische polikliniek in het Wilhelmina Gasthuis; hij hield twee jaar lang in paviljoen III een apart zaaltje voor kinderpsychiatrische patiëntjes open. In 1936 zette Carp in Leiden een kinderpsychiatrische polikliniek op, een jaar later volgde een aparte kliniek voor kinderpsychiatrie. Ten slotte opende Rümke in 1940 een kinderzaal in het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht.

Een sterke stimulans voor het ontstaan van speciale aandacht voor het kind kwam van de beweging voor geestelijke volksgezondheid. Naar Amerikaans voorbeeld richtte deze haar aandacht in de eerste plaats op het kind, het gezin en de opvoeding. Ook de oprichting, eind jaren twintig, van de eerste Medisch Opvoedkundige Bureaus in Nederland was door deze beweging geïnspireerd. Hier, en in de observatiehuizen, werd de voor dit specialisme typerende werkwijze ontwikkeld waarin een maatschappelijk werkster en een psychiater, en na de Tweede Wereldoorlog vaak ook een arts, een psycholoog en een pedagoog, samen een multi-disciplinair team vormden met de kinderpsychiater als eindverantwoord lijke. Ten slotte moet in dit verband de psychoanalyse worden genoemd. De invloed hiervan liep in de eerste decennia van de eeuw in ons land overigens niet alleen via het werk van Freud. Zeker waar het kinderen en opvoedingsvraagstukken betrof liep dat voor een belangrijk deel ook indirect, bijvoorbeeld via het werk over residentiële opvoeding van Aichhorn en later via het werk van Freuds dochter Anna.

Aan het begin van de twintigste eeuw waren er echter verschillende nieuwe expertiseclaims ontstaan omtrent het kind met afwijkend, storend of zorgelijk gedrag, zowel vanuit de kindergeneeskunde als vanuit de (in het Duitse taalgebied) opkomende Heilpedagogiek (met namen als Hanselmann, Heller, Fürstenheim en Homburger). Ook de opkomst van de psychologische test, in het bijzonder de ‘Binet-Simon’ (1905), mag in dit verband niet onvermeld blijven.

De ontwikkeling van deze verschillende kennisclaims over ‘het zorgenkind’ bracht Van Krevelen ertoe na de Tweede Wereldoorlog in zijn openbare les te Leiden de vraag op te werpen hoe het stond met de kinderpsychiatrie: ‘Is zij het kind van de psychiatrie of dat van de kindergeneeskunde?’ Emminghaus had tegen het einde van de negentiende eeuw, in een bijdrage over kinderpsychiatrische stoornissen aan een serie handboeken over kindergeneeskunde, nadrukkelijk de samenwerking tussen psychiatrie en pediatrie bepleit, maar nadien was toch vooral de psychiatrie zich met dit domein gaan bezighouden. Van Krevelen signaleerde echter dat de ontwikkeling van de kinderpsychiatrie opvallend vaak werd geremd door competentiestrijd. In de oudere discipline van de pediatrie bestond over het algemeen nogal wat scepsis tegenover nieuwe inzichten. Aan de andere kant zag Van Krevelen een drang tot expansie van de kinderpsychologie, hetgeen hij onwenselijk achtte en ook een gevaar voor de ontwikkeling van de kinderpsychiatrie. Ook de samenwerking met de pedagogiek verliep volgens hem niet geheel zonder competentiespanningen, maar dit leek hem minder zorgen te baren.

Ondanks Van Krevelens zorgen over de groeimogelijkheden van zijn vak, bleek de kinderpsychiatrie kort na de oorlog in meerdere opzichten te floreren en snel te groeien. Dit blijkt bijvoorbeeld goed uit de sterke toename van het aantal kinder- en jeugdpsychiatrische publicaties. Een andere indicatie is de oprichting van een aparte sectie Kinderpsychiatrie binnen de NVvPN in 1949. Kort na de oorlog verschenen ook in snel tempo de eerste leerboeken op dit terrein, van Hart de Ruyter (Psychiatrische selectie, 1951), Van Krevelen (Leerboek kinderpsychiatrie, 1952) en Grewel (Werkwijze der kinderpsychiatrie, 1954). In dezelfde periode verscheen eveneens een aantal specialistische studies en bundels.

Veelzeggend voor de voorspoedige ontwikkeling van dit subspecialisme is bovendien dat direct na de oorlog ook de eerste kinderpsychiatrische proefschriften het licht zagen. Hart de Ruyter en Grewel waren in het midden van de jaren dertig nog gepromoveerd op zuiver medische onderwerpen, maar een jaar na de bevrijding verschenen de eerste echte kinderpsychiatrische dissertaties. Van Krevelen promoveerde in 1946 in Leiden bij Carp op Het eenige kind. Een bijdrage tot de psychologie en de psychopathologie van het kind, en in hetzelfde jaar promoveerde Kamp in Utrecht bij Rümke op Speldiagnostiek: een ontwikkelingspsychologisch en kinderpsychiatrisch onderzoek. Twee jaar later verscheen de dissertatie van Tibout, Over het onderzoek en de behandeling van kinderen met afwijkend gedrag, en in 1955 promoveerde Frijling-Schreuder op Preventie van neurotische gezinsrelaties.

Het groeiende academische en maatschappelijke prestige van de kinderpsychiatrie bleek ook uit de benoeming van de eerste lectoren en hoogleraren in dit vak. Achtereenvolgens werden Hart de Ruyter (RUG 1951), Grewel (UvA 1955) en Van Krevelen (RUL 1957) tot lector benoemd. Daarna volgden de professoraten van Hart de Ruyter (RUG 1956), Kamp (RU 1964) en Frijling-Schreuder (UvA 1965).

In maatschappelijk opzicht verwierf de kinderpsychiatrie zich vooral ook een plaats omdat haar vertegenwoordigers zich uitspraken over een breed en divers geheel aan onderwerpen, en zich niet beperkten tot specifiek psychiatrische problemen. Vóór de Tweede Wereldoorlog waren kinderpsychiatrische artikelen vrijwel uitsluitend in medische (NTvG) en psychiatrische tijdschriften (Psychiatrische en Neurologische Bladen) verschenen, maar direct na de oorlog verschoof hun aandacht in de richting van geestelijke volksgezondheid en opvoedingsvraagstukken, waarover zij zich voortdurend lieten horen, met name in het nieuwe Maandblad voor de Geestelijke volksgezondheid (MGv). De kinderpsychiatrie werd dus in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog niet zozeer geprofileerd als medisch specialisme, de kinderpsychiater was eerder de generalist die zich uitsprak over een breed scala aan vraagstukken die te maken hadden met de gezonde geestelijke ontwikkeling van kinderen.

Deze oriëntatie op de geestelijke volksgezondheid hangt uiteraard samen met de opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat, waarin de geestelijke gezondheidszorg een sleutelrol vervulde. De kinderpsychiatrie wierp zich niet alleen op als gezaghebbende discipline op alle terreinen binnen de geestelijke volksgezondheid die met kinderen, jeugd en opvoeding te maken hadden, maar kreeg ook de wind mee in de ontwikkeling van haar praktische kant. Dat blijkt niet alleen uit de groei van de universitaire klinieken in deze periode, maar vooral uit de gestage uitbreiding van het aantal MOB’s. In 1952 waren er 30 psychiaters werkzaam bij 15 bureaus, in 1960 waren dat er 68 bij 25 bureaus met enkele tientallen vestigingen. Het aantal MOB’s groeide na de oorlog zelfs zo snel dat er sprake was van een voortdurend tekort aan opgeleide kinderpsychiaters. Daarnaast vond de oprichting van een aparte Jeugdpsychiatrische dienst binnen de GG & GD, zoals die in 1946 in Amsterdam op instigatie van Hart de Ruyter ontstond, navolging op verschillende plaatsen.

Het Internationale Congres over ‘Mental Health’ dat in 1948 in Londen werd gehouden, bevestigde opnieuw de formule van het teamwork, die van meet af aan typerend was geweest voor zowel het werk in de observatiehuizen voor justitie als in de MOB’s. De positie van de kinderpsychiater als leider van het team werd daarmee versterkt, niet alleen binnen deze specifieke instellingen maar ook als algemeen model voor de aanpak bij ernstige opvoedings- en ontwikkelingsproblemen en psychische stoornissen.

Ook het speciaal onderwijs en de residentiële zorg voor het verstandelijk gehandicapte kind vormden sterk groeiende arbeidsterreinen voor de kinderpsychiatrie. Vóór de Tweede Wereldoorlog had de psychiatrie zich stap voor stap op beide gebieden terrein en gezag verworven.Na de oorlog maakten zowel de residentiële zorg als het speciaal onderwijs een geweldige groei door. In het laatste geval werd dit mede gestimuleerd door het Koninklijk Besluit Buitengewoon Lager Onderwijs in 1949, dat een omvangrijk differentiatieproces tot gevolg had. Met name Hart de Ruyter droeg daar met zijn vele publicaties en inspanningen, onder meer om zorgvuldig onderscheid te maken tussen het zwakbegaafde en het zwakzinnige kind, het zijne toe bij.

Dit is een hoofdstuk uit het boek Met gezag en deskundigheid: De historie van het beroep psychiater in Nederland.
Het hele boek is hier te lezen.

 



Ido Weijers,

Relevante categorieën: