Stoornissen/diagnose:
Andere problemen:
  • Zorg voor Jeugd
Training en therapieën:
  • Psychomtorische therapy (agressietraining)
  • Zelfhulpboeken (SWP)
  • Creatieve therapie
  • Onbewuste herstructurering
  • Gedragstherapie
  • Cognitieve therapie
  • Psychofysieke training bij jongens (Rots en Water)

Dyspraxie, motorische onhandigheid, DCD (Developmental Coördination Disorder)

 

Wat is DCD?

Kinderen met een “onhandige” motoriek hebben moeite om bewegingen doelgericht en soepel uit te voeren. Meestal zie je niets bijzonders aan kinderen met DCD.

De invloed van DCD zie je in activiteiten zoals praten, vlot uit je woorden komen, jezelf aan- en uitkleden, tandenpoetsen, met mes en vork eten, veters strikken, een bal gooien en vangen, met een pen schrijven etc. etc.

Het aanleren van deze activiteiten kost hen meer moeite dan andere kinderen van dezelfde leeftijd. Kinderen met DCD hebben een normale intelligentie.

De schrijfmotorische problemen vallen vaak het eerst op.

 

De diagnose

DCD staat voor Developmental Coördination Disorder, in het Nederlands vertaald als stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van bewegingen.
Volgens de DSM IV, een handboek dat wereldwijd door psychiaters wordt gebruikt, is DCD te herkennen aan de volgende kenmerken:

·         Dagelijkse activiteiten die motorische coördinatie vereisen, worden duidelijk slechter verricht dan men op grond van chronologische leeftijd en gemeten intelligentie zou verwachten. Dit kan tot uiting komen in een aanmerkelijke vertraging in het bereiken van de motorische “mijlpalen” (bv. lopen, kruipen, zitten), in het laten vallen van dingen,  in ‘houterigheid’, zwakke sportprestaties of een zwakke schrijfmotoriek.

 

·         De stoornis beschreven in criterium A interfereert significant met schoolse activiteiten of activiteiten in het dagelijkse leven.

·         De stoornis is niet toe te schrijven aan een algemene medische aandoening (bv. cerebrale parese, hemiplegie of spierdystrofie) en valt ook niet binnen de criteria van  de pervasieve ontwikkelingsstoornissen.

 ·         Als er van mentale retardatie sprake is, zijn de motorische moeilijkheden ernstiger dan de moeilijkheden die doorgaans met mentale retardatie geassocieerd worden.

Bron: van Waelvelde, De Mey (2007)Kinderen met Developmental Coördination Disorder, 8

 

Oorzaken 

DCD wordt meestal wel beschouwd als een uiting van een in aanleg niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel. De diagnose geeft aan dát er iets aan de hand is met de motoriek, maar zegt weinig over wát er aan de hand is.

Over de oorzaken bestaat geen eenduidigheid. Erfelijke factoren en problemen rond de geboorte worden als mogelijke oorzaken genoemd.

 

Hoe vaak komt DCD voor?

DCD lijkt voor te komen bij 5 tot 10 % van de schoolgaande kinderen. Het komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes. (bron:Marina Schoemaker, Heleen Reinders- Messelink & dr. Mijna Hadders Algra, 2006).

DCD kent de volgende probleemgebieden:

  • Coördinatie van bewegingen
  • Het uitvoeren van handelingen
  • Het aanleren van motorische vaardigheden
  • Het automatiseren van motorische vaardigheden

 

Er is echter een grote individuele variatie tussen de kinderen met DCD.

In alle probleemgebieden zijn er kinderen die zwak scoren maar er zijn ook altijd kinderen die dan weer goed presteren.

DCD kan worden beschouwd als een leerprobleem bij het leren van motorische vaardigheden.

Dit uit zich thuis en op school concreet doordat kinderen moeite hebben met (het aanleren van) vaardigheden zoals, schrijven, klimmen, knippen, lopen, fietsen.

Veel kinderen komen als gevolg hiervan in de problemen als hun tempo vertraagd is. Ook kan de kwaliteit  van de vaardigheden te wensen overlaten.

Verder kunnen er problemen zijn met concentratie, horen, zien en begrijpen wat er om hen heen gebeurt en problemen met plannen en organiseren.

Als kinderen moeite hebben praten (snelle motorische planning van de articulatie) spreken we van verbale ontwikkelingsdyspraxie.

Verder worden genoemd: gedragsproblemen, teruggetrokken gedrag, frustratie, faalangst, clownesk / ontwijkend gedrag, passiviteit laag zelfbeeld.

DCD is een specifieke en afzonderlijke stoornis die vaak samen voorkomt met andere ontwikkelingsstoornissen . Van de kinderen met DCD heeft 50% ook ADHD, PDD-NOS, autisme en taalstoornissen zoals dyslexie en andere leerstoornissen.

Dagelijkse gevolgen
De onzichtbaarheid van de handicap maakt het extra lastig voor de omgeving om er goed op in te spelen. Als je een been mist hoef je niet uit te leggen dat je niet kan hardlopen, omdat iedereen dat wel kan zien. Maar hoe leg je als kind uit dat je handelen lastig vindt, terwijl je twee prachtige handen en een goed stel hersens hebt?
Dan is het ook nog zo dat je de ene dag minder last kunt hebben van DCD dan de volgende, want hoe lekkerder je in je vel zit hoe minder last van DCD. Onbegrijpelijk voor de omgeving en ongrijpbaar voor het kind.
Een kind met DCD kan niet voldoen aan de verwachtingen en vanzelfsprekendheid van dagelijkse handelingsrituelen. Daardoor krijgt het kind vaak negatieve feedback. Afhankelijk van de ernst en het type DCD, kunnen deze kinderen veel van die nare momenten beleven op een dag. Uit onderzoek blijkt dat dit één van de meest schadelijke effecten is voor het kind met deze handicap. Op de lange termijn kunnen deze negatieve ervaringen leiden tot onzekerheid, faalangst en een laag zelfbeeld. Omdat de handicap nog onbekend is moet er in de omgeving goede informatie gegeven worden over DCD, waardoor er begrip kan ontstaan voor de problemen.

Toekomst 
In verschillende studies is aangetoond dat DCD op latere leeftijd niet spontaan verdwijnt. Bij een belangrijk deel van de kinderen werd in de adolescentie nog altijd motorische problemen vastgesteld.  (bron: Cantell et al. 1994, Cantell et al. 2003, Geuze & Börger 1993, Gillberg et al. 1989, Losse et al. 1991, Pless et al. 2002, Rasmussen & Gillberg 2000).
Vroegtijdige behandeling kan voorkomen dat motorische vaardigheden verkeerd “ingevoerd” worden. Behandeling is effectief voor het verbeteren van de motorische problemen.

Diagnose en behandeling
Via de schoolarts of huisarts komen de kinderen met DCD problemen terecht bij een kinderarts, kinderfysiotherapeut, kinderneuroloog, kinderpsychiater of een revalidatiearts.
Een kind met vermoedelijk DCD zal altijd multidisciplinair onderzocht moeten worden. Dit gebeurt meestal in een revalidatiecentrum. De behandeling van DCD hangt af van het soort probleem, het cognitieve niveau en de aanwezigheid van bijkomende stoornissen. Als er sprake is van één uitgesproken probleem kan het kind verwezen worden naar een eerstelijns fysiotherapeut of ergotherapeut. Het kind kan ook in aanmerking komen voor multidisciplinaire behandeling. Vaak spelen gedragsproblemen hierbij een rol. Deze poliklinische behandeling wordt dan binnen het revalidatiecentrum voortgezet.
Soms zijn compenserende maatregelen nodig. Voor op school kan bijvoorbeeld een laptop worden ingezet om de schrijfmotoriek te ontlasten. Aangepast meubilair kan een goede zithouding bevorderen.

Therapie

Nieuwe inzichten in motorisch leren hebben geleid tot een andere aanpak van de problemen. Een van deze behandelmethodes is de COOP.

Cognitieve Oriëntation to Daily Occupational Performance (kortweg COOP) is een in Canada ontwikkelde methode voor kinderen met DCD. De Canadese ergotherapeute Polatajko et al. ontwikkelde deze methode (2001).

Door het zoekgedrag van het kind te sturen komt dit tot nieuwe bewegings-oplossingen. Het kind geeft binnen deze therapie zelf aan welke vaardigheid het leren wil waardoor de motivatie wordt verhoogd. Het kind leert ook zelf ontdekken wát er misgaat en denkt vervolgens actief na over een oplossing: “oefenen met het koppie erbij”. Hierbij worden de stappen stoppen, denken, doen en check aangeleerd. De methode is in Nederland nog vrij nieuw, maar lijkt succesvol.

Daarnaast biedt de NTT (Neuromotor Task Training)  ook een taakgericht model dat gebaseerd is op deze nieuwe inzichten.

 

Door: Makke Vollenhoven, pedagoog, gespecialiseerd op het gebied van DCD

Bronnen

  • Balans belicht DCD: voor ouders van kinderen met ontwikkelingsstoornissen bij leren en/of gedrag.

Bilthoven.Redactie (2009).

 

·         Waelvelde, H. van & De Mey, B. (2007). Kinderen met Developmental Coördination Disorder: Als (ook) bewegen niet vanzelfsprekend is. (1e druk). Antwerpen (B): Standaard Uitgeverij nv.

 

 

 

Boeken over DCD

Mijn kind heeft DCD: Gids voor ouders, leerkrachten en hulpverleners.

Dewitte, G. en Calmeyn, P.

Uitgeverij Lannoo 2007

 

DCD-hulpgids voor leerkrachten, achtergrond en adviezen bij de motorische coördinatiestoornis

Haeften, E. van

Uitgeverij Pica 2009

 

De motoriek van kinderen met dyspraxie, autisme, ADHD en leerstoornissen

Kurtz L.A.

Uitgeverij Pica 2008

 

Balans belicht DCD: voor ouders van kinderen met ontwikkelingsstoornissen bij leren en/of gedrag.

Bilthoven.Redactie (2009).

 

Kinderen met Developmental Coördination Disorder: Als (ook) bewegen niet vanzelfsprekend is.

Waelvelde, H. van & De Mey, B.

Standaard Uitgeverij 2007

 

Artikel: “Kleine brokkenpiloten”

 M. Vollenhoven

Pedagogiek in praktijk, september 2009

 

 


 

 

 

  • Kon geen boeken vinden

Alle rechten voorbehouden © 2010